Friday, May 6, 2016

My name is Haroen

Ik kan al heel goed praten. Dat zegt miss Lima. Zij is mijn juf. En zij kan het weten. Want ze is heel slim. Onder haar hoofddoek zit een groot verstand. En ze heeft mij al veel geleerd. Maar soms is het lastig. Want er zijn woorden die je niet mag zeggen van grote mensen. Of ze moeten erom lachen.

Vanmorgen had ik met papa boodschappen gedaan. Toen we buiten kwamen, was het best warm. In de auto was het zelfs verschrikkelijk heet. Ik vroeg aan papa of de aso aan mocht. Toen ging papa zomaar hardop lachen. En hij zei dat het airco heet. Dat is voor mij hetzelfde. Maar papa moest er toch om lachen. Net alsof ik dom was.

Toen we weer thuiskwamen, zei ik tegen mama dat mijn voeten zeer deden. Dat komt omdat ik nieuwe sandalen heb. Die doen pijn aan mijn tenen. 'Dat is wel shit', zei ik tegen mama. Toen deed ze net of ze heel erg schrok. Pffff... ze zegt het zelf ook weleens! Maar ik mag het toch niet zeggen van mama. Ik kan beter chips zeggen, zei ze.

En dan mijn naam. Ook zo'n verschrikkelijk ingewikkeld probleem. Papa en mama noemen mij Aron. En als ze boos zijn zeggen ze Aron Botros (met een harde stem, net alsof ik doof ben). Maar op school noemt iedereen mij 'Eron'. En op papa's werk zeggen ze 'Haroen'. Dat is best raar. Waarom kunnen grote mensen niet gewoon mijn echte naam uitspreken, net als papa en mama? Maar ik heb de hoop opgegeven. Eigenlijk vind ik Haroen ook best mooi. De mensen vragen mij wel 100 keer per dag 'What's your name'. Dan lach ik even en zeg 'Haroen'. Gewoon omdat ik het een mooie naam vind.

Grote mensen zijn onbegrijpelijk. En ze maken het leven erg moeilijk. Dat is niet eerlijk. Weet je wat ook niet eerlijk is? Papa en mama gaan vanavond uit eten in een restaurant. Omdat ze vijf jaar getrouwd zijn. En ik? Ik moet thuisblijven. Bij de oppas. Ik ben er boos over.. Terwijl zij lekker zitten te eten, moet ik naar bed. En dat is voor mij, Aron Botros Visser, gewoon heel erg shit chips.

Monday, May 2, 2016

Twee keer Paasfeest

Toen opa en oma hier waren, vierden we Pasen. Dat was heel gezellig. Maar nu zijn ze weg en hebben we het nog een keer gevierd. Ik weet niet waarom we het twee keer vierden. Maar dat is niet erg.

Zondagmorgen maakte papa mij heel vroeg wakker. Meestal is dat andersom. Maar deze morgen lag ik nog te slapen. Hij zei dat we weg gingen met de auto. Ik schrok ervan dat hij zo vroeg kwam. Maar ik ben er toch maar uit gegaan.

Eerst gingen we nog iemand anders ophalen. En toen gingen we een eind rijden. Onderweg dronken de grote mensen koffie. Ik kreeg een pakje melk. Buiten was het donker. En de weg was leeg. Na een tijdje werd het een beetje licht. Toen reden we een berg op en daar stapten we uit. Het donker was toen al bijna helemaal weg.

We waren op de berg Nebo. Dat is een heel belangrijke berg. Bovenop staat een kerkje. Daar gingen we in. Er waren veel mensen. We gingen zingen en bidden. Eigenlijk duurde het best wel lang. Ik zei steeds dat ik buiten wilde spelen. Maar het was zo druk dat ik er niet uit kon.

Kerkdiensten duren vreselijk lang. Aan het eind was ik heel blij dat ik naar buiten mocht. De zon scheen al een beetje. We gingen eerst eten met alle andere mensen. Je kon kiezen uit wel duizend dingen. Ik heb een ei gegeten. Want het was Pasen. Maar hij was niet van chocola. Papa wilde ook dat ik een stukje cake zou eten, want die had hij zelf gebakken. Maar ik vond hem niet zo lekker. Daar kan ik ook niets aan doen. Ik heb hem aan papa teruggegeven.

Toen gingen we nog even kijken op de rand van de berg. Daar staat een kruis met een slang eromheen. Maar hij is niet echt. Hij is gemaakt van ijzer. Vanaf de rand van de berg kun je heel ver kijken. Eerst is er de Dode Zee. Daarachter ligt een ander land. Dat heet Israel. Als je goed kijkt, kun je het zien liggen. Maar het is wel moeilijk want er is veel zand in de lucht.

Toen we naar huis reden, ben ik in slaap gevallen. Dat komt omdat ik zo vroeg uit bed was gehaald. Maar ik ben niet boos op papa. Want de berg Nebo is mooi. En het ei was lekker. Ik vond het niet erg om twee keer Pasen te vieren. Van mij mag het best drie keer per jaar Pasen zijn

Saturday, April 16, 2016

Ons hotel


Als ik op reis ga, slaap ik in een hotel. En ik eet in een restaurant. Dat is heel normaal. Maar soms is ons huis ook net een hotel. Er komen veel gasten. Ik ben er erg druk mee.

Eerst waren opa en oma er. Toen ze weg waren, ging ik samen met mama hun lakens wassen. Het waren er heel veel. Misschien wel honderd. Toen de wasmachine klaar was, hingen overal in het huis lakens te drogen. 

Daarna kwam Clare. Zij slaapt vaak in ons hotel. Ik vind het leuk als ze komt. En ik zorg goed voor haar. Haar bed is altijd mooi opgemaakt. Er ligt een handdoek op. En op het bureau staat een flesje water voor als ze dorst heeft.

Meestal reserveert Clare een kamer met ontbijt in ons hotel. Maar gisteren was het een beetje anders. Toen hoefde ik niet voor ontbijt te zorgen. Want ik ging met Clare ontbijten in een restaurant. Mama en Lucy gingen ook mee. Het was een heel mooi restaurant. En het eten was echt zoals het hoort in een restaurant. Ik heb een pannenkoek gegeten met stroop erop. Ik heb ook veel sap gedronken. Toen we naar huis gingen was mijn buik net een ballon. Ik ben eerst maar even gaan slapen. Toen ik wakker werd was mijn buik iets kleiner.

Gisterenavond is Clare weer weggegaan met het vliegtuig. Vandaag ga ik haar kamer opruimen. En klaarmaken voor de gast. Papa helpt daar soms bij. Maar nu kan dat niet. Want papa is ook weg met het vliegtuig. Hij is in Zwitserland. Dat is aan de andere kant van de wereld. Ik heb hem net even gebeld om te vragen hoe het met hem gaat. Het gaat goed met hem. Hij zegt dat Zwitserland een mooi land is. 

In Zwitserland slaapt papa ook in een hotel denk ik. Ik hoop dat de baas van het hotel goed voor hem zorgt. En dat het eten in het restaurant lekker is. Maar ik denk toch dat hij daarna weer graag naar huis komt. Ik zal met mama zorgen dat zijn bed opgemaakt is Met een handdoek en een flesje water. 

Want het beste hotel in de hele wereld is bij ons thuis.

Thursday, April 7, 2016

Mijn leven als reisleider


De afgelopen week was ik de reisgids voor opa en oma. Papa was de chauffeur. Mama deed aan persoonlijke begeleiding. We waren een goed team. Vandaag zijn we weer teruggekomen in Amman. Nu kan ik eindelijk een beetje uitrusten. En weer in mijn eigen bed slapen.

Ik heb opa en oma heel het land laten zien. Het kasteel van Karak. De diepe dalen van Dana. De paleizen van Petra. En de woeste woestijn van Wadi Rum. Ze keken hun ogen uit. Dat is logisch, want zoiets hadden ze nog nooit gezien.

Ik heb goed voor opa en oma gezorgd. Elke dag was er lekker eten. Er was zelfs patat bij het ontbijt. Ik denk dat opa en oma dat het allerlekkerst vonden.

Maar ik wilde ze ook niet te veel verwennen. Anders vinden ze straks hun huis in Nederland niet meer mooi. Eerst sliepen we in mooie hotels. Maar in Wadi Rum moesten ze in een tent slapen. Ze klaagden wel een beetje dat de bedden kraakten en de lakens niet schoon waren. Ik heb er stiekem om gelachen. Want ik had mijn campingbedje en mijn eigen lakens bij me.

We gingen eten bij een bedoeïen. Dat is iemand die altijd aan het kamperen is. Hij heette Khaled en kon heel mooi zingen. Hij kon ook lekker eten koken. Hij stopte al het eten in een vuur onder de grond. En een tijdje later was het eten klaar. Ik vond vooral de rijst lekker.

Reisleider zijn is best vermoeiend. Soms kon ik echt niet meer. Dan viel ik zomaar in slaap in mijn stoeltje. Of als ik bij iemand op schoot zat. Maar de rest van de tijd heb ik goed mijn best gedaan om ze alles te laten zien. Mama hielp ze om alle indrukken te verwerken. En papa heeft ze overal veilig naartoe gereden. Onderweg heb ik veel nieuwe liedjes geleerd van oma. Die ken ik nu uit mijn hoofd.

Morgen gaan opa en oma weer naar Nederland. Papa vindt dat hun leven nu een beetje completer is. Ik weet niet zo goed wat dat betekent, maar het klinkt wel mooi. Ik hoop dat ze nog heel lang zullen terugdenken aan hun vakantie in Jordanië. Ik zal ook altijd aan hen blijven denken. En als ik ze mis, ga ik gewoon een van oma's liedjes zingen.

Thursday, March 31, 2016

Een domme oma


De opa's en oma's zijn aangekomen. Ze hadden koffers vol cadeautjes bij zich. Iedere dag krijg ik een ander cadeautje. Ze zijn allemaal heel erg mooi. Vandaag kreeg ik het grote boek van Jip en Janneke. Het is nog groter dan de kinderbijbel. Het zal wel heel lang duren voordat ik alle verhalen uit dit boek heb gelezen.

Opa en oma weten niet zo veel van Jordanie. Maar ik help ze wel. Gisteren heb ik ze de Dode Zee laten zien. Eigenlijk is het water in deze zee heel vies. Dat zegt mama tegen mij. Daarom mag ik er niet in zwemmen. Opa en oma zijn een beetje eigenwijs. Zij gingen er toch in zwemmen, Toen klaagde oma dat haar ogen prikten. Dat is eigenlijk gewoon haar eigen schuld.

Daarna deden ze nog iets dommers: ze gingen zich insmeren met vieze modder. Ze werden helemaal zwart. Net zo zwart als zwarte piet. Het zag er echt heel vies uit. Ik kon het bijna niet aanzien. Daarna gingen ze zich schoonspoelen. Ze vonden het heel grappig, want ze moesten steeds lachen. Ik vond er niets grappigs aan. Het was gewoon vies.

Ik ben met mama in het zwembad gaan zwemmen. Daar was het water wel schoon. Oma kwam ook nog even zwemmen. Ik heb eerst gekeken of er geen modder meer op haar badpak zat. Maar gelukkig was het weer schoon.

Daarna gingen we naar een stad. Daar gingen we een museum en een kerk bekijken. Oma moest eerst naar de WC. Maar toen is er iets heel ergs gebeurd. Ze lette niet goed op en toen is haar telefoon is in de WC gevallen. Hij was helemaal nat en vies. En hij stonk ook verschrikkelijk. Oma zat er een beetje over te klagen. Ik heb net gedaan of ik het erg jammer vond. Maar eigenlijk vind ik het wel meevallen. Want zeg nou zelf, wat is er nu erger: modder op je lijf of poep op je mobiel?

Saturday, March 26, 2016

Hoog bezoek


Het heeft heel lang geduurd. Ik ben al weken nachtjes aan het aftellen. Maar nu is het nog maar 1 nachtje. Dan komen opa en oma. Zij komen op visite bij ons in Jordanie.

Ik ben heel druk geweest met de voorbereidingen. Vanmorgen moest ik al vroeg op, want een meneer kwam een bus brengen. Samen met papa moest ik kijken of het een goede bus was. En of er geen deuken in zaten. We zijn er samen omheen gelopen. De bus zag er mooi uit. Dus papa heeft het contract getekend en ik heb de sleutel gekregen van de meneer.

Daarna moesten we naar de buurvrouw om een bed en een matras op te halen. En ook kussen en lakens. Ik heb het allemaal in de lift gelegd en naar de juiste verdieping gestuurd. Ik zelf ging met de trap, want er was geen plaats meer in de lift.

Mijn eigen bed staat nu op de kamer van papa en mama. Want opa en oma gaan in mijn kamer slapen. De andere opa en oma gaan in de kamer van Clare. Ik noem het Clare's kamer, omdat Clare vaak bij ons komt logeren. Maar nu wordt het even opa en oma's kamer.

Het was een enorm werk om alle bedden op te maken. Ik heb de grond geveegd met de grote bezem. En daarna ging ik ook nog de koelkast schoonmaken. Dat vond ik wel een beetje overdreven, want hij was niet echt vies. Maar ja, papa en mama wilden het toch, dus ik heb het maar gedaan.

Opa en oma zitten nu in het vliegtuig. Vanavond gaat papa ze ophalen met de grote bus. En als ik morgen wakker word, zijn ze er. Ik hoop dat ik een cadeautje van ze krijg. Maar dat weet ik niet zeker. En papa en mama hebben er niets van gezegd.

Daarna gaan we op vakantie met de bus. We gaan slapen in een hotel. Voor opa en oma is dat bijzonder. Maar ik ben dat wel gewend. Ik zal hen wel uitleggen hoe het er in een hotel aan toe gaat. Er is ook een zwembad. Dat vind ik het allerleukst. En we gaan eten in een restaurant. Als opa en oma niet weten hoe dat werkt, mogen ze het altijd aan mij vragen.

Het regent wel een beetje bij ons. Ik hoop dat opa en oma daar niet verdrietig van worden. In ons huis is het gelukkig droog en warm. En er zijn turtles. Die ga ik aan hen laten zien. Dan worden ze vast heel blij.

Saturday, March 12, 2016

De dieren thuis


De dierentuin is leuk. Soms gaan we er naar toe. Er zijn apen en leeuwen. En ook hele grote vogels met een oranje snavel. Maar nu hoef ik er eigenlijk niet meer heen. Want thuis heb ik ook allemaal dieren.

We gingen naar een straat die vol is met dierenwinkels. Wel honderd denk ik. Bij alle winkels hingen vogelkooitjes. In het raam zwommen vissen. Sommige waren heel groot. Er waren ook honden en poezen. Er waren twee kleine witte poesjes in een kooi. Ze waren heel lief. Maar die gingen we niet kopen.

We gingen naar een speciale winkel voor schildpadden. Daar mocht ik vier kleine schildpadjes uitkiezen. Ze zijn net zo klein als mijn hand. Dus best wel groot. En we kochten ook een gele vogel. Hij zat in een rood kooitje. We hebben het allemaal in de auto mee naar huis genomen. Onderweg stond de vogel naast mij op de achterbank. Hij zag er een beetje bang uit. Ik heb heel lief naar hem gekeken, maar het hielp niet.

Thuis ging ik met papa stenen zoeken in de tuin. Toen ging hij met de gieter water in het aquarium doen. En daarna legde hij de stenen op elkaar. Eerst rolden ze allemaal om. Toen ging mama het proberen. Die heeft wat meer geduld. Toen lukte het wel. En daarna deed papa de schilpadden erin. Ze gingen gelijk zwemmen. Ik kon het zien door het raam. 

Als ze moe zijn, gaan ze op een steen zitten. Dat is net zoiets als mijn bed zeg maar. Daar ga ik ook naar toe als ik wil uitrusten.

Iedere dag geef ik een beetje eten aan de schildpadden. Het komt uit een potje. En het stink nog erger dan een luier. Maar de schildpadden vinden het toch lekker. Ze zijn dus wel een beetje raar.

Elke dag ga ik kijken naar de schildpadden. Dan zeg ik met mijn liefste stem: kom maar turteltje. Ze kunnen heel goed zwemmen. Ze hoeven geen zwembandjes om. Mama heeft met de stenen een brug gebouwd in het aquarium. Heel soms zwemmen ze daar doorheen. 

De gele vogel staat ook in de kamer. Hij fluit heel hard. En soms doet hij niets. Dan zijn zijn veren heel dik en zie je zijn ogen niet. Maar als hij fluit doet hij zijn bek in de lucht. 

Ik vind deze dieren erg leuk. En papa en mama ook. Ik denk eigenlijk dat zij het nog leuker vinden dan ik. Maar dat zeg ik natuurlijk niet,

Saturday, February 27, 2016

De preek van de week


Gisteren heb ik weer in de tuin gespeeld. Dat was heel lang geleden. Eerst was het koud. En het regende veel. Toen was het niet fijn in de tuin. Maar nu is het lente. Ik heb in de zandbak gespeeld. En bloemen geplukt. Ik werd er blij van. Maar ik werd wel een beetje gestoord.

Het was vrijdagmiddag. Dat is eigenlijk net als zondag. Mensen gaan dan naar de kerk. Het is niet een echte kerk. Het heet een moskee. Ze gaan er elke dag heen. Maar op vrijdag gaan er extra veel mensen. Soms is het zo druk dat de mensen op straat moeten zitten. Ze zitten dan allemaal op een rijtje. Het lijkt net een school.

Ik denk dat de vloer in de moskee niet zo schoon is. Want de mensen nemen altijd een eigen kleed mee om op te zitten. Dan blijven ze mooi schoon.

Er is een meneer die hard schreeuwt door een luidspreker. Ik kan het zelfs in de zandbak horen. Dat is niet zo fijn. Soms praat de meneer even zachtjes, maar daarna direct weer heel hard. Hij schreeuwt van alles. Ik versta het niet. Maar hij wil wel dat iedereen het hoort. Het klinkt best lelijk. En het duurt heel lang.

Als de preek eindelijk is afgelopen, gaan de mensen naar huis. Ze lopen  met hun kleedje onder hun arm over straat. Sommigen hebben een baard. Niet zo'n korte die papa soms heeft, maar juist een hele lange. En ze hebben een jurk aan.

Als ze thuis zijn, trekken ze weer gewone kleren aan. En dan kan ik eindelijk weer rustig verder spelen in mijn zandbak.